Er was een tijd dat Zuid-Limburg helemaal bedekt was met bos. De Romeinen hadden stukken bos op de plateau’s gekapt, maar toen de Romeinse overheersing tot een einde kwam in de 4e eeuw groeide het bos weer terug. De dorpen bevonden zich in de beekdalen en het Maasdal. In de bossen van de plateau’s werd vee geweid. Toen de bevolking groeide begon men de plateau’s te ontginnen. Grondeigenaren waren voornamelijk het Kapittel van de Sint Servaaskerk in Maastricht en het kapittel van de Martinuskerk in Luik. Ook de Graaf van Dahlem en de Heren van Valkenburg hadden nog stukjes plateau in handen.

De heide bloeit in augustus

Horige boeren kregen de opdracht om delen van het gebied te ontginnen en zo ontstonden er boerendorpen in de Hoge Middeleeuwen. De boeren beschikten meestal over een fruitwei waar ook het vee kon grazen. Rond het dorp lagen de akkers. De plateau’s zijn met löss bedekt. Ze leverden dus vruchtbare landbouwgrond op. Steeds meer bos werd gerooid en aan het einde van de 13e eeuw hadden de plateaubossen grotendeels plaats gemaakt voor akkerland. Aan de randen van de plateau’s was de löss weggespoeld: daar lagen onvruchtbare stroken land, schraalland of woeste gronden.

Ze werden als weidegrond gebruikt en kregen de naam heide hoewel het niet om een echt heidelandschap ging. Zo zijn de Berger- en Vilterheide aan hun naam gekomen. Alleen op de hellingen van de plateau’s bleef er nog bos over. Op sommige plekken stond hakhout, bos dat om de zoveel tijd werd gekapt. Andere hellingen werden gebruikt voor de wijnbouw: rond Maastricht en Valkenburg lagen de nodige wijnvelden.

Bovendien dienden de hellingen als weidegrond voor schapen. Deze schapen waren kuddeschapen die nu Mergellandschapen worden genoemd. In Zuid-Limburg sprak men over kötsjäöp (kuddeschapen). Op de hellingen tussen Geulhem en Rothem stonden rond 1900 nog heel wat jeneverbesstruiken. Deze plant komt nu niet meer voor in Zuid-Limburg.                                                       Heel wat Zuid-Limburgse plaatsnamen eindigen op -heide: Heerlerheide, Spekholzerheide (‘Spekholz’ was de naam van het bos in dat gebied), Bocholtzerheide, Baneheide, Bleijerheide enz.

Jeneverbesstruiken op de heide

Toch is hier nooit heidelandschap geweest zoals op de Brunssummerheide, maar een meer grasachtige begroeiing waar de heidestruik veel minder voorkwam. In het oosten van Zuid-Limburg bestaat de bodem immers uit zandgronden. Er waren dus veel schraallanden hier die ‘heide’ genoemd werden. In het Vijlenerbos en in Eperheide wordt de bodem gevormd door vuursteeneluvium, een ‘mergelbodem’ waar de mergel is opgelost en alleen de vuursteen is overgebleven. Dit levert natuurlijk ook onvruchtbare grond en dus schraalland op. Alleen de Brunssummerheide was en is een echte heide met een heidelandschap. Dat ontstaat als bos op zandgrond te intensief wordt beweid en het bos verdwijnt.

Het mooiste meisje van Brunssum

Heide blijft niet vanzelf in stand. Als er niet gegraasd wordt dan wordt heide weer bos. Aanvankelijk hielden de vele konijnen op de Brunssummerheide de heide in stand. Door een ziekte nam hun aantal af en namen schapen hun rol over.                  Aan de Brunssummerheide zijn allerlei sagen verbonden. Zo stond er op de heide een kasteel dat bewoond werd door een kasteelheer die in de ban van de duivel was. Hij begeerde het mooiste meisje van Brunssum dat niet op zijn avances inging. Daarop liet de heer haar vrijer beschuldigen van diefstal door een heks die als getuige optrad. Toen het meisje naar het kasteel ging om te proberen haar vrijer vrij te krijgen zag zij de duivelshoorns op het hoofd van de kasteelheer. Toen zij voor hem vluchtte de toren in en hij haar achtervolgde, klonk er een donderslag en verdween het kasteel in de aarde. Soms hoorde je ’s nachts op de heide nog de stem van het meisje dat ‘red mij!’ riep.                                                      Op de heide werden ook mooie ronde keien gevonden. Men dacht dat het fossiele duiveneieren waren. Ze werden Maaseieren genoemd. Het waren vuurstenen die ooit door eb- en vloedbewegingen van zeewater waren afgesleten.

De plek die Heksenberg wordt genoemd zou eigenlijk Hessenberg hebben geheten. Volgens de sage zou er een veldslag geweest zijn tussen de Hessen, een Germaanse stam, en Romeinse soldaten. Door het bloed van de lijken zou de naam Rode Beek zijn ontstaan. De as van de verbrande lijken werd in urnen gedaan en de overgebleven soldaten schepten met hun helmen zand eroverheen totdat zij een heuvel hadden gevormd: de Hessenberg, die later de naam Heksenberg kreeg. Volgens de plaatselijke verhalen vierden heksen er hun heksensabbat.

Bloeiende brem

Op de arme grond van het Vijlenerbos groeide volop brem en van bremtakken werden bezems gemaakt. Zo ontstond er een bezemindustrie in Wittem, Bocholtz, Vijlen en Vaals in de 16 eeuw. Maar het kappen van bomen voor het maken van bezemstelen was een aanslag op de bossen. Er kwamen daarom zware boetes op het verkopen van brem of bezemstelen of op het hakken van hout voor bezemstelen. Ook mocht er nog maar een enkele keer brem worden gesneden.                             Nadat de Brunssummerheide is gebruikt als groeve, militair oefenterrein en vuilstortplaats wordt de natuur er nu weer beschermd en is de heide een geliefde plek om te ontspannen. Er vliegen zeldzame libellen, de heidehommel is weer terug na 53 jaar, de beschermde zandhagedis leeft er en je kunt er reeën en vossen tegenkomen. Ook de bossen op de hellingen zoals Savelsbos en Ravensbos, en de hellingen van de Bemelerberg en de Pietersberg zijn een lust voor het oog en een wellnesscenter voor de geest.

Zoek de vos

 

© 2026 Rosemarie Bovy / Tijdreizen door Zuid-Limburg. Tekst en afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd.