Al in de Middeleeuwen is er op allerlei manieren met succes alcoholische drank gemaakt in Zuid-Limburg. Voor veel mensen was het een belangrijke inkomstenbron. Met name het bier brouwen speelde een toonaangevende rol in onze samenleving.Uitgelichte afbeelding verwijderen
Het was geen klein bier

Voormalig panhuis in Mechelen
Het brouwen van bier dateert al van 4000 v. Chr.: voor de Sumeriërs was bier al belangrijk. Maar vooral in Germaans gebied kwam bier tot ontwikkeling. Germanen waren grote bierdrinkers. De oudste brouwerijen in West-Europa ontstonden in het Maasdal. In Maastricht was er al een in het begin van de 12e eeuw. Kloosters waren de grote bierproducenten en maakten het bier populair: elk dorp had vanaf de Late Middeleeuwen een eigen panhuis (brouwerij) of een brouwerij in de omgeving ter beschikking. Het bier werd volgens vaste recepten gebrouwen.

Sint Arnoldus met korenhalmen en roervork (tool bij het brouwen)
Men voegde allerlei kruiden toe voor extra smaak: kamille, thijm, gruit, jeneverbes, gember, kummel of anijs. Vanaf de 14e eeuw groeide het aantal brouwerijen en tapperijen in Maastricht explosief. In 1550 waren er 61 stuks op een bevolking van 13.500 inwoners. De bierbrouwers waren een van de machtigste ambachtsgilden van de stad. Sint Arnoldus was hun patroonheilige en op de patroondag van Arnoldus werd er uitgebreid gefeest door de brouwers. Sint Arnoldus zou met zijn staf in een bierkuip geroerd hebben in een periode van pest, waarop het bier prompt geneeskundige kracht kreeg en de mensen van de pest genas. Maastricht verloor die machtspositie: midden 18e eeuw werden karnemelk, cacao, koffie en thee en Franse en Rijnse wijnen populair waardoor tal van brouwerijen moesten sluiten. En door de afschaffing van heerlijke rechten verschenen er steeds meer brouwerijen in het heuvelland.

Een bierwagen
In 1825 sticht de Valkenburgse brouwer Smeets de Gulpener Bierbrouwerij in Gulpen. Hij krijgt steeds meer in de melk te brokkelen: in 1830 wordt hij ook nog burgemeester van Valkenburg. Vanaf 1873 exploiteert Frederik Brand brouwerij Wijlre. In het begin moet de omzet vooral van de kerkgangers komen: de trap van de Gertrudiskerk leidt rechtstreeks naar het brouwerijcafé. Dat zint de pastoor niet en hij verlegt de trap. De omzet zou daardoor zijn gedaald.

In de wijngaard – Millet
Drankgelegenheden waren er genoeg in de dorpen. In 1866 zijn er in Berg en Terblijt 13 tapperijen, waaronder 6 winkeliers met tapvergunning, op een bewonersaantal van 910. De café’s in de dorpen waren in die tijd een soort huiskamers. Een kamer van vijf bij vier meter werd al als café gebruikt.
Wijn voor de elite
Tot de 16e eeuw, vóór de populariteit van het bier, was er in Zuid-Limburg ook de nodige wijnbouw. Rond Maastricht en rond Valkenburg waren overal wijnvelden.

Bacchus, Romeinse god van de wijn – Leonardo da Vinci
In St.Pieter, het Jekerdal, Ulestraten, Berg en Terblijt, Geulhem, tussen Valkenburg en Schin op Geul, in Epen en Vijlen lagen wijngaarden. In Geulle groeide de wijn ‘op de bomen’. De wijnranken werden langs bomen geleid in plaats van langs stokken. Kerken en kloosters hadden kleine wijngaarden voor hun miswijnen. Wijn werd vooral door de welgestelden gedronken. Zo kregen voorname gasten wijn aangeboden door het bestuur als ze ontvangen werden in Maastricht of in Valkenburg.
Appeltjes voor de dorst

De roze boomgaard – van Gogh
De Zuid-Limburgse boer had van oudsher zijn eigen hoeswei met fruitbomen. Door de landbouwcrisis in 1886 gingen de boeren in deze regio meer fruitweides met hoogstambomen (ook appelbomen) aanleggen. Van de afgevallen appels (de zoete soorten) werd voor eigen gebruik appelwijn, cider, gemaakt. In de oogsttijd als het werk zwaar was werd er menig glas appelwijn gedronken. Wel aangelengd zodat het werk ook nog gedaan kon worden.
Sjnaps en sjpriet

De uitvinding van het distilleren
Het stoken van sterke drank is een van de oudste vormen van huisvlijt. Tegen het einde van de 15e eeuw was het branden in onze streek erg populair geworden. Voor de boeren was stoken een aantrekkelijke bezigheid in de lange wintermaanden. Jenever werd gemaakt uit graan, overrijp fruit (want rijk aan suiker) of aardappelen. De jeneverbes werd als kruid toegevoegd. In Zuid-Limburg groeide in de 19e eeuw de jeneverbesstruik op 53 plekken, o.a. in de omgeving van Gulpen en van Ubachsberg.

De jeneverbes
Jenever werd hier ook wel sjnaps of sjpriet (van spiritus) genoemd. Als boerenjongens ouder dan 12 jaar waren mochten ze brandewijn met ingelegde rozijnen drinken. Vandaar de naam van rozijnen op deze manier bereid. Tegenwoordig is zelf distilleren verboden. In de jaren 70 van de vorige eeuw is er nog een clandestiene jeneverstokerij gevonden in de Apostelgroeve in het Jekerdal. Zij was slechts 3 maanden in gebruik. De grote hoeveelheden suiker die nodig waren bij het stoken waren te kostbaar.
© 2026 Rosemarie Bovy / Tijdreizen door Zuid-Limburg. Tekst en afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd.


