In het verleden waren veehoeders een vertrouwd onderdeel van de Zuid-Limburgse maatschappij. Tot begin 20e eeuw was de kooheert (koeherder) nog actief in menig dorp. De scheper (schaapsherder) bestaat nu nog, in een moderne versie.
De verkesjong (varkensjongen) hield stand tot rond 1800. Het centrum van de oude Z-Limburgse dorpen was de dries, een gemeenschappelijke weide, vaak in een driehoekige vorm, met de belangrijkste boerderijen eromheen gebouwd. Midden op dit ‘plein’ bevond zich de grote dorpspoel waar het vee kon drinken. Die ontstond omdat boeren leem gebruikten voor vakwerkmuren en voor de vloeren van hun boerderij. De bodem van de gegraven kuil maakten ze waterdicht door paarden erover te laten lopen. De poel was multifunctioneel: naast drenkplaats diende hij ook als wasplaats voor kleine voertuigen,

De Schone Poel in Berg en Terblijt – W.A. Houtman
voedselbron voor pluimvee als er eendenkroos groeide, waterreservoir bij brand, plaats waar het looizuur van eiken boomstammen werd opgelost enz. De kooheert vertrok ’s morgens bij de poel met de kudde: hij blies dan op zijn tuut (een stierhoorn), de boeren zetten de staldeuren open en de koeien liepen zelf naar de herder. Die dreef ze naar de gemene gronden (voor gemeenschappelijk gebruik).

Lantaarnopsteker
Begin 20e eeuw werd de koeherder van Meerssen de schweitser genoemd omdat hij in de Zwitserse garde van de paus had gediend. Door een verwonding in zijn been hinkte hij. Hij dreef de koeien (die hij allemaal apart kende) met zijn herdershond vanaf de markt naar de weide bij de Geul. In de winter fungeerde hij als lantaarnopsteker, doodgraver en wegwerker.
In Valkenburg werden in de 18e eeuw nog koeien in stallen en mergelgrotten gehouden. Het stadje had een koeherderin in dienst die de koeien de poorten uit naar de beemden bracht en die een ‘koeiloon’ kreeg voor ieder beest dat zij hoedde. Zij was een assertieve vrouw die het gerecht inschakelde toen 4 personen haar niet wilden betalen.

Vlaamse bouvier (koehond)
De schuldenaren kregen een aanmaning van de bode en als dat niet hielp zouden hun koeien in beslag genomen worden, zo vertellen de gerechtsregisters van 1739. Begin 20e eeuw had menig Z-Limburgs dorp 3 à 4 grote kudden schapen. De grote boerderijen waren eigenaar en hadden een eigen scheper in dienst. Deze had vaak een lichamelijk gebrek en kon alleen licht werk doen. In de loop van zijn herdersleven ontwikkelde hij zich tot expert op het gebied van het weer, van planten gevaarlijk voor schapen, medicinale kruiden voor schapen, het africhten van schapenhonden, kleding breien en natuurlijk schapengedrag. In de winter was hij klusjesman op de hoeve: poetste koper, repareerde scharnieren, hakte hout en vlocht bijenkorven.

Het sprookje de varkenshoeder van Andersen
In vroeger tijden hoorden varkens bij ‘het straatbeeld’: ze liepen vrij rond in de stad en op wegen en velden waar de varkensjongen ze in de gaten hield. Toch is de varkensjongen vergeten. Hij speelt alleen nog een rol in het sprookje ‘De varkenshoeder’ van Hans Christian Andersen uit 1859.
© 2026 Rosemarie Bovy / Tijdreizen door Zuid-Limburg. Tekst en afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd.


