Het is belangrijk dat Carnaval meegaat met zijn tijd. Tegelijk is Carnaval een mooie manier om stukjes Limburgse geschiedenis en het Limburgs in stand te houden. Alleen al de namen van carnavalsverenigingen helpen daarbij. Het ligt voor de hand dat deze namen verwijzen naar kwatsj maken en lol hebben: Nachdravers (doorzakkers), Beerbieters en Oelk Kloeb (pretclub).

Nar met narrenstok in Markdorf
Maar als je kijkt naar de (ongeveer 90) namen van Zuid-Limburgse carnavalsclubs dan hebben opvallend veel namen te maken met klungeligheid: Blutsje (sukkels), Aezele, Hoddelaere, Breuzelere (mensen die onsamenhangend praten), Sjravelere, Braggelaere en Sjoutvotte (mensen met veel schulden). De carnavalsvierder wil zich van oudsher niet alleen afzetten tegen de machthebbers, maar ook tegen de hoge eisen van de maatschappij. Dat niks menselijks de carnavalsvierder vreemd is blijkt uit de namen Winkbülle/ Braniemeekers (opscheppers), Moelemaekersj/ Zweitlanceers (zwetsers) en Foetelaers.

Smokkelaars – Dirk Nijland
Talloze namen verwijzen naar dieren: Kwakvusj, Wespelle, Berggeite, Eekheuere (eekhoorns), Schweeswurmpjer (regenwormen) etc.
Of lijken naar dieren te verwijzen: de naam Mammoeters verwijst naar de Mammoetflat in de Maastrichtse wijk Pottenberg.
Soms zit er een stukje historie vast aan een dierennaam: de naam Grensülle, een club uit Vaals, verwijst naar het na-oorlogse nachtelijk smokkelen van koffie door mensen uit Vaals en omgeving. Rond het Drielandenpunt werd zeer lucratief en soms op spectaculaire wijze koffie gesmokkeld kort na de Tweede Wereldoorlog toen de belasting op koffie hoog was in Duitsland. Ook de naam van vereniging Wuif (wolven) uit Ransdaal is door historie ingegeven. Hij verwijst naar een wolvenplaag in het verleden in de omgeving van Ransdaal.

3 wijzen uit het oosten
De naam Keemeleers (kameelridders) kwam tot stand als een reactie op de naam Tempeleers, kruisridders die naar het oosten gingen. De Keemeleers uit Wittevrouwenveld kwamen uit het oosten (van Maastricht), net als de kameelrijdende wijzen. Toen hun standplaats Wijck werd en Wittevrouwenveld geen eigen carnavalsclub meer had richtte het De Drommedarisse op. Een tiental namen geven oude Limburgse inkomstenbronnen en gebruiken weer.

Arbeiders op een steenbakkerij – Rappard
De namen Brikkebekkesch (baksteenbakkers) en Casséridders (arbeiders van papierfabriek KNP die met cassé, papieruitval, werken) slaan op beroepen van vroeger. De naam Kalk aan de books (broek), verwijst naar een periode na de oorlog toen mannen uit Bocholtz in Duitse kalksteengroeven gingen werken.
(De naam Taarbreuk gaat ook over broeken en duidt op een typisch Zuid-Limburgs gebruik: voor de kermis werden de dorpen schoongemaakt en opgeknapt. Vakwerkhuizen werden opnieuw witgekalkt en de onderste rand van de muren werd opnieuw met teer bedekt voor de vochtbestendigheid. Degenen die tegen de pas geteerde muur gingen zitten kregen teervlekken op hun broeken: teerbroeken.)

Het meisje met de zwavelstokjes
In Nieuwenhagen maakten mensen zwavelstokjes (soort lucifers) in de winter: ze doopten houten stokjes in zwavel. Vandaar de Sweegelsöppers. Typisch Zuid-Limburgse producten leveren ook clubnamen op: Zeemplekkesj (zeem=stroop) en Rieste (rijstevlaai). Smautbulen, kruiken met koolzaadolie, is een gebruik van vroeger. In Einighausen werd koolzaad verbouwd om de vetvoorziening op peil te houden in armoedige tijden. Het koolzaad werd tot olie geperst en in kruiken vervoerd.Een andere oude Zuid-Limburgse traditie, die nog steeds in stand wordt gehouden, is het oprichten van meibomen. In Noorbeek wordt ieder jaar de Brigida-den voor de kerk geplaatst door de jonkheid.

Hèven van de meiboom – Frederick Goodall
De plaatsers kantelen de boomstam omhoog: de Hèvers. Ook oude carnavalsinstrumenten zijn present in verschillende verenigingsnamen: de Foekepot was gemaakt van een aardewerken pot bedekt met een varkensblaas, een stokje in het midden. Rond 1900 trokken kinderen in groepjes langs de deuren en zongen liedjes onder begeleiding van de foekepot.

De rommelpotspeler – Frans Hals
Ze hoopten eieren en lapjes spek te krijgen die ze op een spitse stok regen. Als er genoeg buit was volgde een carnavalsbuffet van spek en ei. Een Mirlitophile is een liefhebber van de mirliton, een klein instrument dat je bespeelt door een membraan te laten trillen door zingen of blazen. Het was ooit ‘n populair carnavalsinstrument. Een kam met een stukje vloeipapier erover gevouwen om erop te blazen kon al als mirliton dienen. Vrun vaan de Rammelstek zijn liefhebbers van de reuzenrammelaar oftewel rammelesjang. Het is een zelf geknutselde rammelaar gemaakt van allerlei voorwerpen aan een stok die geluid maken: van tamboerijnen tot keukengerei. Een slaginstrument vergelijkbaar met de schellenboom van harmonieën.

Nar met narrenstok
Ook de middeleeuwse hofnar rammelde met een soort rammelaar: de narrenstok, een scepter met een narrenhoofd en belletjes erop.
Marotte is een Franse vertaling van narrenstok en het symbool van de gelijknamige carnavalsvereniging. Met deze instrumenten kun je het ritme aangeven, maar dan heb je wel muziek nodig: typische carnavalsmuziek is de Böhmische/ Boheemse muziek uit de Böhmer Wald. De Beumerwalders verwijzen met hun naam hiernaar.

Boheemse muzikanten in 1907
Tenslotte is er een verenigingsnaam die betrekking heeft op een legende die leefde in een breed grensoverschrijdend gebied van Belgisch Limburg tot Keulen: de legende van de Aver- of Evermennekes. In Keulen heten ze de Heinzelmännchen. Het waren kabouters die ’s nachts het werk dat arme boeren overdag niet hadden afgekregen kwamen afmaken. In ruil voor hun diensten kregen ze eten.

Heinzelmänchen
Het was verboden ze te begluren bij hun werk: degene die dat toch deed werd blind of werd meegenomen. Daar waar deze legende op het platteland bestond zou een prehistorische grafheuvel zijn geweest. In Bunde spreekt men over Havermennekes: ze wonen in het Bunderbos, dragen groene kieltjes en eten havermout van de haver die ze op het veld vinden na de haveroogst. Ook de Keemeleers zijn gevoelig voor streeklegendes: zij vertellen de avonturen van Kemiel waar ’t Evermenneke een terugkerende rol in speelt.
© 2026 Rosemarie Bovy / Tijdreizen door Zuid-Limburg. Tekst en afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd.


