In Drenthe en in Twente vonden mensen vroeger ‘donderstenen’ op heidevelden. Ronde stenen met ribbels vanuit het midden.

Een niet gefossiliseerde zeeëgel met ribbels
Dat waren fossiele zeeëgels. Vooral in Zuid-Limburg kwamen donderstenen massaal voor, maar dan in de vorm van stenen pijlen, belemnieten, waarvoor de mensen geen natuurlijke verklaring konden vinden. Totdat de wetenschap hun aanwezigheid kon verklaren. Voordat het zover was lieten de mensen hun fantasie de vrije loop om dit voor hun onnatuurlijke verschijnsel van de donderstenen te verklaren.

Belemnieten
Zoiets kon alleen maar bovennatuurlijk zijn. In de Germaanse tijd geloofde men dat Donar, god van donder en bliksem, bij onweer via bliksemschichten donderstenen naar beneden slingerde en donderpijlen naar beneden schoot. Zo kon men verklaren dat een bliksem een boom kon versplinteren. In christelijke tijd was het de duivel die de stenen naar beneden gooide. Donderstenen waren gewild omdat men ze magische krachten toeschreef: met zo’n steen onder de nok van het dak kon je je huis tegen blikseminslag beschermen. Vooral in de zomer, het onweerseizoen, was dit van belang.

Donar met de hamer in zijn hand
Men geloofde ook dat ze een genezende werking hadden. Belemnieten werden vermalen tot poeder en met water ingenomen tegen reuma, pijnlijke ogen, malaria en geelzucht. De Schotse arts Martin gaf belemnietpoeder aan paarden bij ontstekingen. Hij geloofde dat God belemnieten in de klei liet groeien, een natuurkracht door Hem ingesteld. Dan moest het wel een paardenmiddel zijn. Belemnieten zijn de fossiele rugpennen in pijlvorm van een uitgestorven pijlinktvis-soort. Ze lijken op afgebroken stenen pijlen en zijn overal in mergelgroeven in Zuid-Limburg te vinden. Tussen Slenaken, Gulpen en Vaals zijn op bepaalde plekken belemnieten massaal in de bodem aanwezig: er bevinden zich vele belemnieten-kerkhoven.

Een levende pijlinktvis
Ook in dit gebied geloofde men in onweersdemonen.
Volgens een plaatselijke sage had men vroeger in het land van Wittem de gewoonte om bijen naar de Hoge Venen te brengen als de heide bloeide. Een bijenhouder uit Epen kwam er een lange magere man tegen met verwilderde haren en een woeste baard. De Epenaar probeerde de lange man uit de weg te gaan maar deze sneed hem steeds de pas af en vroeg de Epenaar waar hij vandaan kwam.Toen de wildeman het antwoord hoorde, zei hij dat hij in Epen, net zoals in de hele omgeving, goed bekend was.

Kopergravure van een wildeman – Martin Schongauer
Hij was er gisteren nog met de Donder naar toe geweest. Als de pastoor de klok niet had geluid dan zou hij alles te gronde hebben gericht. De bijenhouder begreep dat hij met de onweersdemon sprak. Deze sage zou onder meer zijn ontstaan vanwege het feit dat onweer in Epen en Slenaken vaak uit de richting van de Hoge Venen kwam opzetten. Volgens een ander Limburgs verhaal zou een dondersteen vanzelf beginnen te draaien als je hem op een bord legde tijdens onweer. Hetzelfde verhaal vertelt dat oudere mensen uit Kanne donderstenen (belemnieten) gevonden hadden in wilgen die langs de Jeker groeiden.
© 2026 Rosemarie Bovy / Tijdreizen door Zuid-Limburg. Tekst en afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd.


